Sloupsko-šošůvské jeskyně, Grottensysteem in Moravische Karst, Tsjechische Republiek
De Sloupsko-šošůvské grotten zijn een uitgebreid ondergronds systeem in de Moravische Karststreek met meerdere niveaus van kamers en gangen. Het systeem bevat talrijke stalagmieten- en stalactietformaties verspreid over verschillende secties.
De Brnose arts Johannes Ferdinand Hertod z Todtenfeldu beschreef de grotten in 1669 in Tartaro-Mastix Moraviae als helderwit en vol druipstenen. In 1748 daalde J. A. Nagel af naar de lagere niveaus van Stará skála en vond de afgrond die zijn naam draagt. In 1879 viel mijnwerker Václav Sedlák in onbekende ruimten tijdens het graven van botten voor Dr. Jindřich Wankel, waardoor Eliščina jeskyně werd ontdekt, geopend in 1881; de rest werd vooral 1889–1915 onderzocht.
De zaal die Eliščina jeskyně heet, wordt af en toe gebruikt voor kamermuziekconcerten, en gidsen laten bezoekers de akoestiek horen met opgenomen muziek. De naam Sloup komt waarschijnlijk van de ongeveer 20 meter hoge kalkstenen pilaar Hřebenáč, die het dorp zijn naam gaf.
De grotten zijn open van maart tot november, niet tot oktober. De geleide route is 1,5 kilometer lang en loopt via de Nicová-grot en de Eliščina-grot door een kunstmatige gang naar het deel Staré skály. De droge bovenste etage is 7–8 °C, dus warme kleding is nodig.
De 65 meter diepe Stupňovitá propast sluit de Gotische Gang af, en de route steekt de Nagelova propast over via twee bruggen; van het plafond tot de Sloupský potok eronder meet hij ongeveer 90 meter, waarmee hij tot de grootste ondergrondse schachten van Tsjechië behoort.
De community van nieuwsgierige reizigers
AroundUs brengt duizenden geselecteerde plaatsen, lokale tips en verborgen pareltjes samen, dagelijks verrijkt door meer dan 92.937 bijdragers wereldwijd.